Geert Mommersteeg houdt een lezing over "Marabouts in Mali"
Datum: 13 februari 2012
Plaats: Concertzaal v/d Nieuwe Veste
Molenstraat 6, Breda
Tijd: 20.00 – 22.15 uur
Toegang: leden gratis, niet-leden € 6,-.
Voorverkoop: Balie Uitpunt
http://www.uitinbreda.nl/go/24efb24e-95f0-4808-a65cefd482a6e2cb
Hierbij nodigen we u van harte uit bij de lezing met lichtbeelden over ‘Marabouts’ door Geert Mommersteeg, antropoloog. Hij is universitair docent Culturele Antropologie aan de Universiteit Utrecht. Op basis van zijn onderzoek in Djenné schreef hij onder andere ‘In de stad van de marabouts’. In de pauze is er gelegenheid dit boek te kopen.
De oude stad Djenné in Mali – bekend vanwege haar fascinerende architetuur – is al eeuwenlang een van de belangrijkste centra van islamitische cultuur in West-Afrika. Nog steeds woont er een groot aantal marabouts: Koranleraren en religieuze specialisten.
Geert Mommersteeg verrichtte antropologisch veldwerk in Djenné en sprak met marabouts over hun denken en handelen. Geleidelijk aan verkreeg hij toegang tot hun wereld en inzicht in de twee vormen van kennis waarin zij gespecialiseerd zijn: openbare kennis en geheime kennis.
Zoals overal elders in islamitisch West-Afrika worden in Djenné jonge kinderen op een bepaalde leeftijd aan een marabout toevertrouwd om door hem onderwezen te worden in het lezen van Gods Woord: de Koran, of beter gezegd het oplezen daarvan. Want over de betekenis van de vreemde woorden die ze lezen, leren de kinderen niets.
Naast de vele lagere Koranscholen die Djenné telt, bevindt er zich in de stad ook een tiental scholen voor het voortgezet islamitisch onderwijs. Aan deze scholen lezen gevorderde studenten, die vaak van buiten de stad afkomstig zijn, onder leiding van een marabout de werken van klassieke moslim auteurs op het gebied van het islamitisch recht, de Arabische grammatica en literatuur, theologie, de tradities van de Profeet en de exegese van de Koran.
Naast het verzorgen van het religieuze onderwijs vervullen marabouts nog een andere belangrijke rol in het leven van de inwoners van Djenné. Aan Koranwoorden worden speciale krachten toegeschreven. Deze inherente krachten kunnen bescherming bieden dan wel aangewend worden om een bepaald doel te verwezenlijken. Kennis van welk Korancitaat voor welk doel gebruik kan worden en de wijze waarop dit precies gedaan moet worden, behoort tot de geheimen waarin marabouts zich gespecialiseerd hebben. De krachten die de woorden uit de Koran bezitten, kunnen op verschillende manieren aangewend worden. Een stukje papier beschreven met Koranverzen of gedeelten daarvan, verpakt in een leren of stoffen omhulsel kan ter bescherming als amulet op het lichaam worden gedragen dan wel in huis worden ophangen. Veel marabouts combineren de twee zaken: zij wijden zich zowel aan het onderwijs als aan de geheimen van de magie. Daarnaast zijn er ook marabouts in de stad die geen Koranlessen geven maar zich geheel en al gespecialiseerd hebben in het domein van de geheime kennis en als zodanig naam en faam verworven hebben.
We bevelen u deze lezing van harte aan en hopen u 13 februari te ontmoeten.
Namens het bestuur en met vriendelijke groet,
A.E.Bettink
Boekpresentatie op de KMA
Toespraak gehouden door de auteur bij de presentatie van het boekje ‘Volkenkunde in Breda. Van Indische verzameling tot Rijksmuseum Justinus van Nassau en de Vereniging voor Volkenkunde’.

Breda, 26.5.2011
Geachte aanwezigen,
Het schrijven van deze monografie over het voormalig volkenkundig museum en de daarmee verbonden Vereniging voor Volkenkunde was voor mij een kleine ontdekkingstocht. Als historiserend antropoloog met een regionale belangstelling voor het voormalig Nederlands-Indië, nu Indonesië, houd ik mij al jaren bezig met de betekenis van missie en zending in de Archipel. Ik deed veldwerk in Centraal Sulawesi en bestudeerde daar de wijze waarop protestante zendelingen aan het eind van de negentiende en begin twintigste eeuw veranderingen doorvoerden in de positie van de vrouw en die aanpasten naar Europese maatstaven. Daarna heb ik me verdiept in de geschiedenis van de missie op West-Flores en in die van een Nederlandse missionaris in het bijzonder. Nu werk ik voor het Nijmeegs Instituut voor Missiewetenschappen aan een onderzoek met als thema het intercultureel spanningsveld tussen inheemse geloofsopvattingen en christelijke inmenging.
In het onderzoek naar inheemse religieuze opvattingen werd ik regelmatig geconfronteerd met daarbij horende rituele voorwerpen. Veel Indonesische gemeenschappen hadden een adathuis (rumah pemali) waar ze hun sacrale voorwerpen bewaarden. Een heilige trom en grote bekkens, voorouderbeelden, rituele doeken of fetisjen. In de periode vóór de Tweede Wereldoorlog toonde de missie en zending zeker niet altijd respect voor de adathuizen en de daarin opgeborgen voorwerpen. Ze zagen die als een belemmering voor een snelle acceptatie van het christelijk geloof. In sommige gevallen werden de voorwerpen verboden, in het ergste geval werden de adathuizen in brand gestoken en alles wat erin opgeborgen was verwoest. Het gebeurde ook dat missionarissen de voorwerpen opkochten om ze in Europa in missiemusea of op missietentoonstellingen te laten zien. Niet alleen afzonderlijke congregaties riepen daartoe op, ook Paus Pius XI vond het belangrijk etnografische voorwerpen naar Europa te halen. Hij liet zelfs in 1925 een etnografisch museum in hartje Vaticaanstad bouwen en benoemde pater Wilhelm Schmidt tot directeur.
Door de primitiviteit van de inheemse cultuur te tonen rechtvaardigden missiecongregaties voor de Europese bezoekers hun inmenging. Bij kritische opmerkingen over hun aanwezigheid stelden missionarissen dat ze met het overdragen van het christendom in ieder geval de angst voor demonen en kwaadwillende voorouders bij de bevolking hadden weggenomen. Tegelijkertijd brachten ze, in lijn met de toen heersende sociaal-darwinistische opvattingen, de te bekeren bevolking op een hoger ontwikkelingspeil. ‘Zij eigenden zich hier niet alleen het recht toe, zij achtten het zelfs als hun plicht.’[1]
Bij het onderzoek naar de achtergronden van het voormalig volkenkundig museum stuitte ik op de militaire aspecten van onze koloniale geschiedenis. Er bleek een opvallende parallel te trekken tussen de wijze waarop missionarissen en militairen hun aanwezigheid rechtvaardigden en de manier waarop ze zich voorwerpen toe-eigenden. In de keuze van de voorwerpen volgden beide beroepsgroepen hun eigen strategie.
Waar de missionarissen het volk wilden verheffen, verantwoordden de militairen hun ingrijpen met het argument om ‘rust en orde’ te brengen. Dat ‘rust en orde’ brengen gebeurde globaal tussen 1850 en 1910. Daarvoor vertrokken er zo’n 160.000 militairen naar Nederlands-Indie.[2] Ze vochten onder andere op Sumatra, Bali, Lombok en Borneo. Deze koloniale oorlogen kwamen met een eufemistische term in de geschiedenisboeken terecht als ‘pacificatie-oorlogen’. Met ‘vrede’ brengen hadden ze echter weinig van doen, wel met het soms op hardhandige wijze onder Nederlands gezag plaatsen van de inlandse bevolking. Daar werd aan het eind van de negentiende eeuw niet afkeurend tegenaan gekeken, dat kwam pas later. Menig soldaat kreeg de Militaire Willemsorde uitgereikt.
Hadden missionarissen een voorkeur voor rituele voorwerpen, militairen verzamelden vooral wapentuig dat de inlandse strijders op het slagveld achterlieten. Maar dat niet alleen. In het verzet tegen de koloniale overheersers vochten vaak ook vooraanstaande radja’s mee. Op Bali en Lombok waren zij zelfs de leiders van het verzet. Nadat zij verslagen waren plunderden de militairen hun rijk ingerichte kratons. ‘Nooit eerder werd na een overwinning zoveel goud en zilver als oorlogsbuit binnengehaald’, schreef Ewald Vanvugt in zijn boek ‘De schatten van Lombok’ (1994). Op 8 november 1895 kwam er ‘230 kilo goud en 7199 kilo zilvergeld naar ‘s Rijks Munt in Utrecht, waar het werd omgesmolten om verkocht te worden ten bate van de schatkist.’ Daarnaast leverde de overwinning kisten vol juwelen en pronkstukken op. Aan musea verbonden wetenschappers waren hierin zeer geïnteresseerd en vroegen om overdracht van de voorwerpen. Zo ging een deel naar het Bataviaasch Genootschap in Jakarta, een deel naar het Rijksmuseum in Amsterdam en een ander deel naar het Rijks Etnografisch Museum in Leiden, het huidige Rijksmuseum voor Volkenkunde. In Kampen en op de KMA kwamen vooral veel wapens aan. De naar Nederland verscheepte voorwerpen toonden de bezoekers vooral de superioriteit van Nederland als koloniale macht. Het wapentuig liet de eenvoud van de inheemse tegenstand zien, de verfijnde gouden en zilveren voorwerpen onderstreepten dat Nederland over deze hoogstaande materiële cultuur heer en meester was.
De geschiedenis van het museum was voor mij om nog een andere reden interessant. Niet eerder had ik me verdiept in de lokale geschiedenis van Breda. Nu ontdekte ik onvermoede facetten die ik ter plaatse kon verifiëren. Het huis, waar later het volkenkundig museum in was gevestigd, bleek bewoond te zijn geweest door Justinus van Nassau, een bastaardzoon van Willem van Oranje en de Bredase burgerdochter Eva Eliver. Tijdens de Franse bezetting van Breda, van 1793 tot 1813, logeerde hier koning Lodewijk Napoleon. Een jaar later kwam zijn broer Keizer Napoleon naar Breda en hield er een audiëntie. Straatnamen bleken te verwijzen naar ons koloniaal-militair verleden en het borstbeeld van Generaal Majoor Van Ham, hoog aangebracht tegenover hotel Van Ham op de hoek van de Nieuwe Ginnekenstraat en het Van Coothplein, bleek een afbeelding te zijn van een Bredase militair die gesneuveld was tijdens de Lombok oorlog.

Op de voorste rij van links naar rechts de auteur, wethouder cultuur Sandra Boelema, Gouverneur van de KMA Dhr. Tieskens, commissaris lezingen van de VVB Annelies Bettink en sitarspeler Jan van Beek.
Bij deze kleine ‘ontdekkingstocht’ heb ik steun gehad van enkele mensen die ik hier speciaal wil bedanken. Allereerst zijn dat mevrouw Athmer en mevrouw van Berkom, die me hun tijd en informatie gaven. Dan de heer Schulten, verbonden geweest aan de KMA, die me informeerde over de conservatoren in en net na de Tweede Wereldoorlog. Ook wil ik de KMA dank zeggen voor de gastvrijheid die ze ons bij deze presentatie verlenen. Uiteraard wil ik ook de medewerkers van het Bureau Cultureel Erfgoed van de gemeente Breda bedanken. Gerard Otten, Diewert Berben en hun chef Johan Hendriks hebben het mij mogelijk gemaakt dit boekje in de Erfgoedreeks uit te brengen. En last but not least wil ik de leden van het bestuur van de Vereniging voor Volkenkunde bedanken voor hun steun en geduld tijdens het schrijfproces.

Dankwoord van Gouverneur Tieskens na ontvangst van het eerste exemplaar, aangeboden door de voorzitter van de VVB, mevrouw Else-Marie van Strien.
Dankwoord van wethouder voor cultuur Sandra Boelema na ontvangst van het eerste exemplaar van deeltje 6 uit de Erfgoedreeks.
Mag ik tot slot de gemeente nog een suggestie doen? Zoals de meeste Bredanaars weten gaat het niet goed met het Breda’se museum op het Chassé park. Er zijn problemen met het gebouw, maar ook het aantal bezoekers is niet optimaal. Het museum “leeft” onvoldoende. Ooit was er, vóór de sluiting van het Volkenkundig Museum, sprake van dat het Breda’s museum ruimte zou bieden aan een deelcollectie van volkenkunde. Daarvoor was zelfs een acceptabel idee uitgewerkt dat het echter om financiële en ruimte-technische redenen niet haalde.

overhandiging van een eerste exemplaar van het boekje aan de voormalig suppoost van het volkenkundig museum Justinus van Nassau, mevrouw E. van Berkom.
Mijn suggestie is dit voorstel opnieuw te onderzoeken. Door het Breda’s museum te verrijken met etnografische voorwerpen kan een breder beeld geschetst worden van verschillende levenswijzen. Er kan een continuüm getoond worden van “vroeger naar nu” en van “hier naar daar”. Mogelijk geeft dat het Breda’s museum een nieuwe impuls. Het zou het geheel in elk geval verlevendigen en kleurrijker maken.

Jan van Beek, docent sitar aan de Nieuwe Veste, geeft een recital bij de presentatie.
Dank voor uw aandacht.